De plaatsing van de iCup® vereist een perfecte kennis van de mechanismen bij obstetrische procedures en een gespecialiseerde opleiding.
De correcte plaatsing van de iCup® op het foetushoofd garandeert het succes van ingreep. Deze moet op het "flexiepunt" aangebracht worden. Dit "flexiepunt" bevindt zich op de pijlnaad 3 cm voor de kleine fontanel bij het snijpunt tussen de sinciput-kin-omtrek en de foetusscalp (Figuren 2, 3). Hoe langer de hefarm van het instrument (afstand tussen atloïdo-occipitaal gewricht en occiput), hoe makkelijker het hoofd flecteert en hoe minder trekkracht er nodig is om deze flexie te bewerkstelligen (Figuur 4).
In de praktijk moet de iCup® zo ver mogelijk naar het occiput van de foetus geschoven worden.
Figuur 2: F = "flexiepunt"
Figuur 3: "ideale" positie van de cup
Figuur 4: correct geplaatste cup
Hoe dichter de iCup® bij het projectiepunt van de ruggengraat op de schedel wordt geplaatst, hoe zwakker de werkzaamheid van het instrument - tot het zelfs nul. Bij een foute diagnose van de ligging kan de cup deflexie veroorzaken met dystokie als gevolg. (Figuur 5).
Figuur 5: slecht geplaatste cup waardoor dystokie ontstaat
Daardoor moet de eerste beweging (flexie) gericht zijn op het optimaliseren van de flexie en de tweede beweging (uitdrijving) precies de natuurlijke as van de progressie van het foetushoofd volgen, waarbij het verloop van een spontane geboorte zo precies mogelijk wordt nagebootst.
De tractie moet met zachte hand volgehouden worden.
De kleine fontanel wordt opgespoord en de cup wordt op het "flexiepunt" geplaatst.
Afhankelijk van de precieze positie zijn dan theoretisch 6 trekrichtingen mogelijk:
Figuur 6: A.a.l.v. (tractie omlaag en naar rechts)
Figuur 7: A.a.r.v. (tractie omlaag en naar links)
Figuur 8: links-occipitotransverse ligging (achterhoofdsligging met hoofd naar links gericht) (tractie horizontaal en naar rechtse)
Figuur 9: rechts-occipitotransverse ligging (achterhoofdsligging met hoofd naar rechts gericht) (tractie horizontaal en naar links)
Figuur 10: A.a.l.a. (tractie omhoog en naar rechts)
Figuur 11: A.a.r.a. (tractie omhoog en naar links
Zodra de maximale flexie bereikt is, moet de cup soms zo ver mogelijk van het achterhoofd verplaatst worden om met de tweede trekbeweging te beginnen.
Bij een correcte flexie van het sinciput is deze flexiebeweging niet nodig. Hier valt ook op te merken dat bij een anterieure positie de trekrichting voor het bereiken van de flexie niet verschilt van die in de tweede periode.
Voor posterieure of dwarse posities is het mogelijk en meestal voldoende om te beginnen met de tweede trekbeweging: de tegenreactie van het voorhoofd van de foetus op de voorste boog van het bekken volstaat dan om een doeltreffende flexie te bereiken.
De tweede trekbeweging moet zonder enige tegenstand het natuurlijke verloop van het sinciput in het baringskanaal nabootsen. Er wordt niet in één enkele richting getrokken: de richting varieert met de voortgang van het sinciput in het baringskanaal. Er moet op gelet worden dat het treksnoer bij elke positie in het baringskanaal steeds loodrecht op het vlak van de cup gehouden wordt. Een lichte achterstand op de ideale trekrichting is vaak gunstig (altijd beter om iets meer omlaag trekken).
Bij de bekkeningang (NB: het is niet raadzaam om de cup bij een stand boven het middenbekken te plaatsen), wordt in de richting van de as door navel en stuitbeen getrokken. Het treksnoer van de cup drukt bij het contact met het stuitbeen het posterieure perineum omlaag. De operateur kan het doeltreffendst werken als hij zit of op de grond knielt en naar zijn voeten trekt.
Figuur 12: trekken volgens de as door navel en stuitbeen (indaling, hoge positie)
Het treksnoer staat steeds loodrecht op het vlak van de cup
OPMERKINGEN:
.
Figuur 13: de verschillende trekrichtingen tijdens de indaling
|
|
|
|
|
Figuur 14: trekbeweging
1.
T1. Trekken volgens de as door navel en stuitbeen (hoge stand)
2.
Trekrichting horizontaal gericht (middelste stand)
3. Trekrichting omhoog richten (lage stand)
4.
Trekrichting verder omhoog richten (perineum)
5.
Trekrichting zo goed als verticaal (eind van de extractie)
|
De spildraai in het bekken (Figuur 15) met de cup is niet meer dan een rotatie die volgt uit de flexie
|
|
|
|
Figuur 15: spildraai
Het speciale referentiepunt (vingergleuf) voor de operateur op de top van de iCup® moet zoveel mogelijk naar het occiput geplaatst worden. Zo kan de spildraai onder controle gehouden worden tijdens de passage door het baringskanaal. Deze spildraai voltrekt zich spontaan en wordt bevorderd door een goede flexie van het hoofd onder leiding van de extracteur.
OPMERKINGEN:
Met de vacuümcup kan de uitdrijving millimeter voor millimeter gecontroleerd worden tussen de weeën in en (door amplificatie) het foetushoofd gerestitueerd worden nadat het vrijgekomen is.
OPMERKING:
Op het moment van de uitdrijving tussen twee weeën kan de ontsluiting van het perineum geholpen worden door beperkte flexie-extensiebewegingen van het foetushoofd met behulp van de iCup® (Figuur 16). Deze bewerking kan echter letsels aan de foetusscalp verergeren.
Figuur 16: flexie-extensie van het foetushoofd met de vacuümcup om de ontsluiting van het perineum te bevorderen
Wanneer moet de inspanning gestaakt worden?
OPMERKINGEN: de cardiotocografie moet continu in het oog gehouden worden. Als deze afwijkt, kan dit een reden zijn om de baring langs de natuurlijke weg te staken als er geoordeeld wordt dat deze te traag zal verlopen